News from UCL Dutch

Prospectus

UCL Dutch undergraduate prospectus

undergraduate (BA)

UCL_Graduate_Prospectus_Dutch_PhD

postgraduate (MA/Research)

In memoriam Marta Baerlecken (1909-2007)

30 April 2007

IVN logo

Op 20 januari 2007 is Marta Baerlecken, de ‘grote oude dame’ van de Duitse Neerlandistiek, in Düsseldorf overleden. Voor meer dan vier decennia, van 1935 tot 1978, doceerde zij het vak Nederlands aan de universiteiten in Keulen, Aken en Berlijn en zette zich in als voorzitster van de Bundesarbeitsgemeinschaft Deutsch-Niederländische Kulturarbeit, een verbond van meer dan 50 Duits-Nederlandse verenigingen, waarmee ze grote verdiensten leverde op het gebied van de Nederlands-Duitse cultuuruitwisseling.

Na 1945 – de Bondsrepubliek was zelfs nog niet gesticht – was zij aan Duitse kant de eerste die de contacten tussen Nederlandse, Belgische en Duitse universiteiten wist te herstellen. In ontroerende bewoordingen kon zij over deze hernieuwde start vertellen, die in 1947 van prof.  Brants uit Utrecht en van José Aerts (ps. Albert Westerlinck) uit Leuven uitging en later ook de leerstoelen in Amsterdam, Leiden, Nijmegen en Gent omvatte. Het Duits-Nederlandse lektorencongres te Burgsteinfurt in 1951, het eerste van een reeks van vier, kwam op haar initiatief tot stand en werd door de Nederlandse ambassade ondersteund. Voor haar verdiensten in de Duits-Nederlandse verzoening werd haar in 1952 als eerste Duitse de Erasmus-medaille van de stad Rotterdam overhandigd waarop zij tijdens haar hele leven trots was. In 1961 hoorde zij ook tot de stichtingsleden van de Werkcommissie van hoogleraren Nederlands, de voorganger van de huidige Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN). De ‘bi-nationale’ conferenties van 1951, 1954, 1956 en 1960, te beginnen met Burgsteinfurt, waren in een zekere zin de voorlopers van de latere internationale colloquia van de IVN.

Martha Hechtle, zo luidde haar meisjesnaam waaronder zij ook als vertaler van Gerard Walschap en andere Vlaamse schrijvers in Duitsland bekend werd, werd 1909 in Düsseldorf geboren. Haar uit de Elzas afkomstige vader kwam in de Eerste Wereldoorlog op tragisch jonge leeftijd om en van 1915 tot 1920 groeide zij op bij een Nederlandse schoonfamilie in het Noord-Brabantse Oss. In 1920 keerde zij naar Duitsland terug waar haar moeder was hertrouwd met een Nederlandse zakenman in Düsseldorf. Vanaf 1928 ging zij Germaanse filologie, wiskunde en fysica studeren in Bonn, Berlijn en Keulen. Sinds 1935 was zij eerst als student medewerkster en – na haar doctoraal examen in 1936 – als wetenschappelijk medewerkster, verbonden aan het Duits-Nederlands Instituut van de Universiteit van Keulen dat enkele jaren tevoren, in 1931, door de toenmalige Keulse burgermeester Konrad Adenauer in samenwerking met de Nederlandse Kamer van Koophandel te Düsseldorf was opgericht en dat toendertijd door haar supervisor, de germanist Friedrich von der Leyen, geleid werd. Hier droeg zij in niet geringe mate ertoe bij dat Nederlands als academisch vakgebied in Duitsland ontwikkelde en dat de Nederlandse en Vlaamse cultuur bij het Duitse publiek verspreid werd, maar hier beleefde zij ook de politieke gevechten om het gezag aan de universiteiten van de jaren dertig, b.v. voelbaar in de politieke instrumentalisering van de oorspronkelijk door haar samen met het Keulse Wallraf-Richartz museum georganiseerde feestelijkheden rond de 350e verjaardag van de (in Keulen geboren) Joost van den Vondel in 1937.

Ofschoon zij slechts een ondergeschikte positie inhield, leidde ze de facto het instituut sinds 1940, toen meerdere hogere medewerkers in het militaire bestuur van het bezette België werkzaam werden. Tegelijkertijd werkte zij als literaire vertaalster voor de uitgever Diederichs uit Jena en trad op voor Nederlandse en Vlaamse schrijvers die toen in Duitsland officieel niet toegelaten waren.  Heel vaak vertelde zij hoe ze erin geslaagd was de toelating van Walschap’s Houtekiet te bewerkstelligen. Heel provokatief vroeg zij de ambtenaar hoe een boek van een auteur verboden zou kunnen worden, die demonstratief uit de kerk was getreden – en dat terwijl de Duitse staatsideologie toch ook antiklerikaal was. Zij noemde het ‘de overheid met hun eigen middelen bestrijden’. Samen met Jettie Bender-Wichert, die in 1942 vanwege gezondheidsreden moest aftreden als docente Nederlands aan de universiteit Bonn, slaagde zij er ook in Bender-Wichert’s geplande vervanging door een nazistisch gezind docent Nederlands uit de kring van Jan van Dam, te verhinderen. Het waren kleine successen, geen groot verzet maar toch oprechte pogingen om in deze vreselijke tijd fatsoenlijk te blijven. De vraag of dit genoeg was, heeft Marta Baerlecken tijdens haar hele verdere leven achtervolgd maar het was toch zoveel meer dan velen van haar tijdgenoten hadden gedaan.

Wanneer in 1942 de inrichting van een permanente baan voor haar aan het Keulse instituut afhankelijk wordt gemaakt van haar bereidwilligheid een portret van Antoon Mussert op te hangen, weigert zij dit met kennis van de betekenis van zulke ‘beeldentests’ in samenhang met benoemingen. Twee jaar tevoren, in 1940, had zij al geweigerd een anti-Nederlands pamflet te schrijven. Wegens deze weerspannigheid mislukt haar voornemen zich met een Habilitationsschrift over nieuwere Vlaamse literatuur als professor te vestigen. Haar weliswaar sterk verkorte studie,  die in 1943 verscheen, wordt door een nazistische recensent afgekraakt omdat hij “helemaal geen tekens van ras- of volksbewustzijn bevat”, wat het einde van haar academische loopbaan in het ‘Derde Rijk’ betekende.

Aangezien zij politiek onbelast is in de menigte van mededaders en meelopers, wordt haar na 1945 de heroprichting van de Nederlandse afdeling in Keulen toevertrouwd; werkt zij mee in vakcommissies zoals de equivalentiecommissie van het Duitse rectorencongres die normaalgezien alleen maar voor professoren voorbehouden zijn, en tevens was ze als voorzitster van de Bundesarbeitsgemeinschaft Deutsch-Niederländische Kulturarbeit op het gebied van de Duits-Nederlands-Belgische culturele uitwisseling bezig. Hoewel zij het grondleggend werk van de jaren 50 en 60 verricht, zal zij nooit een leerstoel voor Nederlands aangeboden krijgen – gedeeltelijk door toedoen van dezelfde aktoren als voor 1945 van wie sommigen zonder grote problemen weer carriere gemaakt hadden aan Duitse en zelfs Nederlandse universiteiten. Zij vecht met juridische middelen voor haar rehabilitatie, die ze in de jaren 80 bereikt. Heel belangrijk was voor haar dat het haar daarbij niet om materiele schadeloosstelling ging maar om een erkenning van haar academische verdiensten ("Ik was een rechtsgeval, geen sociaal geval"). Tot op hoge leeftijd kon zij heel scherp uit de hoek komen wanneer dit onderwerp ter sprake kwam en nooit wilde zij er iets van horen dat haar geslacht er ook toe zou hebben bijgedragen – zij was een van de weinige vrouwen in het door mannen gedomineerde wetenschapsbedrijf van de vroege Bondsrepubliek. Tot op de hoogste leeftijd kwam zij naar nationale en internationale congressen en het heeft haar met veel genoegen vervuld dat ze in de loop van de discussies over de Duitse Westforschung enkele jaren geleden haar herinneringen aan deze periode kon publiceren, kort voordat zij zwaar ziek werd. Marta Baerlecken (het ‘h’ in haar voornaam heeft zij laten vallen om haar naam, zoals zij het noemde, te ‘moderniseren’) is op haast 99-jarige leeftijd na bijna een eeuw werk voor de extramurale Neerlandistiek overleden.

Ulrich Tiedau, University College London

A shorter version of this orbituary will be published in
INTERNATIONALE NEERLANDISTIEK 2009

Page last modified on 12 mar 13 00:08 by Ulrich Tiedau